viernes, 22 de mayo de 2015

De Blauwe Ruiter



Onlangs was ik een lang weekend in München. Als je nog nooit in een stad geweest ben, zijn er steeds een hoop dingen die je op je to-do-lijstje staan hebt. Al ben ik nog steeds wel iemand die dergelijke “city-trips” met reisgidsen erbij grondig voorbereidt, de laatste jaren laat ik me ter plekke vaker meedrijven op het gevoel; als er dan aan het eind van het verblijf dingen op het lijstje niet aangevinkt zijn, laat dat dan een reden zijn om binnen een tijdje terug te keren!

Mijn eerste volledige dag in München zou regenachtig worden, het ideale excuus om een museum aan te doen, en erna zien we nog wel...het zou evenwel een beetje anders uitdraaien dan verwacht. Na een bezoek aan het toeristisch informatiekantoor had ik op het internet recensies over de tijdelijke tentoonstellingen opgezocht en zo dacht ik dat ik wel naar de tentoonstelling Marc-Macke in de Kunstbau van het Lenbachhaus zou kunnen gaan.

Het museum bleek in de buurt van het hotel te liggen, dus ik kon ernaartoe wandelen. Je koopt je inkomsbiljet in het museum, en met het biljet voor ingang tijdens een bepaald kwartier (ik hoefde zelfs niet te wachten, maar had lang genoeg in de rij gestaan voor de inkomsbiljetten) krijg je ook een polsbandje voor de permanente collectie. De tijdelijke tentoonstellingen vinden plaats in de Kunstbau, een oorspronkelijk technische ruimte die zich bevindt tussen de 2 ingangen van de ondergrondse aan beide kanten van de straat en die dus een nieuwe bestemming kreeg.

August Macke en Franz Marc, een vriendschap tussen artiesten. Zo heet de tijdelijke tentoonstelling volledig. Al had ik al over Macke gehoord, van Marc wist ik zogezegd niets. Ze worden beschouwd als de voornaamste Duitse schilders van het begin van de 20ste eeuw. Beide stierven bovendien in Frankrijk tijdens WOI.  Nergens beter dan in München om meer over Marc te weten te komen : Franz Marc – afkomstig uit de streek - was samen met Wassily Kandinsky actief in de Blauwe Ruiter, een vroeg 20ste eeuwse artistieke stroming die vanuit München opereerde. Het Lenbachhaus heeft de balangrijkste collectie werken van deze stroming, hoofdzakelijk door de donatie van Gabriele Münter, zelf vertegenwoordigster van de stroming en jarenlang Kandinsky´s levensgezellin. Het werk van de groep kenmerkt zich door een uitbundig kleurenpalet en heeft een expressief en deels abstract karakter. 

De tentoonstelling handelt over  de vriendschap tussen beide artiesten : ze ontmoetten elkaar voor het eerst in januari 1910 wanneer Macke – zelf uit Bonn – naar München reist, en tot hun dood blijven ze contact onderhouden, hoewel ze maar gedurende korte periodes in elkaars buurt wonen. Afgezien van een beperkt aantal fragmenten van briefwisseling tussen de 2 schilders en geschenken die ze elkaar – en hun families – gaven, is het eerder een naast elkaar tonen van werk tijdens een bepaalde periode, met een bepaald thema of een zelfde achtergrond. Dat neemt niet weg dat de tentoonstelling inspireert en mij alvast heelwat leert over de geschiedenis van de schilderkunst aan het begin van de 20ste eeuw, en meer bepaald over stromingen zoals de Blauwe Ruiter. 

                                                                   Zoologischer Garten I (August Macke, 1912)


Sommige werken trekken je gewoon naar binnen, binnenin felgele velden met blauwe paarden, of temidden een park met exotische vogels. Het is duidelijk dat kleuren erg belangrijk waren, belangrijker dan gewoon een andere tube of een andere combinatie van basistinten : beide schilders correspondeerden over hun theorieën betreffende kleuren die ze bovendien spirituele dimensies gaven.

                                                                              Im Regen (Franz Marc, 1912)


2,5 uur (jawel!) kon deze expo me bekoren. Hoewel deze tentoonstelling begin mei zou sluiten, wacht er eind oktober een dergelijke tentoonstelling over Paul Klee en Wassily Kandinsky, met als ondertitel “Buren, Vrienden, Concurrenten”. Het zijn – alvast voor mij – bekendere namen, maar allebei maakten ook deel uit van de Blauwe Ruiter beweging (hierdoor had ik al eerder over de stroming gehoord, maar helaas niet over Franz Marc).

 ...Der Blaue Reiter (W. Kandinsky, 1911), aan de oorsprong van de stroming

Tijdens de namiddag was het nog erger gaan regenen. Ik was nog steeds gemotiveerd om een poosje langer in het museum rond te lopen en keerde terug naar het Lenbachhaus waar ik het polsbandje omdeed om de permanente collectie te bezoeken. Voor zowel de tijdelijke tentoonstelling als de permanente collectie kun je ter plekke een audiogids vragen. Die is inbegrepen in de prijs en m.i. enorm de moeite wil je iets opsteken van je bezoek. In vele zalen kun je ook catalogi over de tentoonstelling/collectie raadplegen terwijl je de werken aanschouwt...beslist iets dat ik ook graag in andere musea zou zien!

Het Lenbachhaus mag dan wel bekend staan om zijn Blauwe Ruiter collectie, het museum bevat veel meer dan dat, van 19de eeuwse landschappen tot hedendaagse kunst. Persoonlijk kon enkel de Blauwe Ruiter collectie me boeien. Het werk van Joseph Beuys bijvoorbeeld heeft zonder twijfel zijn fans, ik vind het maar niks.

Over de Blauwe Ruiter permanente collectie dan : hoewel de tijdelijke expo erg uitgebreid is (ongeveer 200 werken zijn erin opgenomen), geeft de permanente collectie een precieser beelde van de stroming, niet alleen chronologisch, ook over de kunstenaars die er dan wel dan weer niet deel van uitmaakten en hoe het vertrek van sommigen en de komst van anderen het werk van de groepsleden beïnvloedde. Door de donatie van Gabriele Münter krijg je bovendien een betere kijk op de persoonlijke ontwikkeling van Kandinsky´s werk. De link met later werk van Wassily Kandinsky dat internationeel meer bekendheid geniet, wordt onderhouden door latere aankopen van het museum.  Sommige grote doeken krijgen hier de nodige ruimte om bekeken te worden. 

En zo waren er al gauw weer 1,5 uur verstreken. Moe maar tevreden door de “ontdekking” van vandaag keerde ik terug naar het hotel. Nu had ik zeker wel een Schweinsbraten mit Kartoffelknödl und Speckkrautsalat en een pul Helles verdiend!

lunes, 18 de mayo de 2015

CAMRA



Ya está. Aunque todavía no nos hayamos mudado del todo, vivimos en Inglaterra otra vez. Hace más de 20 años conocí a mi pareja Gonzalo en el norte del país, a saber, en West Yorkshire. Ahora Gonzalo está trabajando en Berkshire y vivimos en Hampshire, en el suroeste del país.
Unas cuantas cosas son distintas: nuestra situación (ya no somos ni estudiantes ni veinteañeros), el tiempo (parece mentira, pero mientras que en Yorkshire mi “traje de lluvia”, un pantalón y chaqueta que se pone por encima de la ropa normal para protegerse contra la lluvia, era sin duda mi indumentaria más utilizada, en Hampshire o Berkshire los días de lluvia en los últimos 3 meses pueden contarse con los dedos de una mano) …¡y los horarios! : supermercados abiertos las 24 del día, pub food all day (se puede pedir comida caliente en muchos pubs desde las 11:00 hasta las 21:00) etc.

Pero una cosa teníamos clara : íbamos a hacernos miembros del CAMRA, o CAMpaign for Real Ale (Campaña para defender la verdadera “ale” británica). 

CAMRA empezó en 1971 en el noroeste de Inglaterra porque un grupo de aficionados a la cerveza decidió que algo tenía que hacerse contra la baja de calidad de la cerveza disponible en muchos pubs donde la cerveza tenía gas, era sosa y demasiado cara. Todo un contraste con las ales a precios razonables disponibles en los pubs que pertenecían a cerveceras independientes. Desde los años 50, fusiones y compras habían creado un paisaje cervecero con 6 compañías responsables del 80% de la producción, y que además controlaban más de la mitad de los pubs. Estos “Big 6” - Bass Charington, Allied Breweries, Courage, Whitbread, Watney y Heineken UK – habían inundado sus pubs con sus (más bien regulares) cervezas de keg

Para los lectores en España es esencial comprender la diferencia entre “keg beers” y “cask ales” : las últimas son las ales tradicionales que no tienen gas y que se sirven utilizando bombas manuales mecánicas (hand pumps) mientras que las primeras son las cervezas de barril típicas en el resto del mundo, donde se tira la cerveza utilizando CO2. Como la situación en el Reino Unido en los años 60 y 70 era “extrema” : por un lado las lagers comerciales (la mayoría, por la propiedad de los pubs, en manos de los Big 6), por el otro las ales regionales, uno podría pensar que CAMRA está en contra de las keg beers. No es el caso, la “campaña” sigue luchando para mantener  1/ que haya cervezas tradicionales “vivas” (por el contenido en levadura dentro del cask) de tipo cask, y 2/ que toda la cerveza (que incluye craft beers y cervezas de importación) sea de buena calidad y bien servida. Hoy en día además han añadido la lucha para proteger las real ciders y perries (sidras de manzana y de pera hechas de manera tradicional). 

Otros asuntos se añadieron a la agenda de CAMRA como reformar los horarios de los pubs, reducir los impuestos para cerveceras pequeñas, mejorar la protección de los pubs (cada semana desaparecen unos cuantos pubs, que en Reino Unido suelen ser casas completas independientes, para ser transformados en supermercados o bloques de pisos) y, por ejemplo, antes de las elecciones de hace pocos días, CAMRA lideraba un lobby para convencer a los candidatos electorales a MP (Member of Parliament) de estos asuntos.

Por nuestra cuota (compartida) de menos de 30 GBP no sólo tomamos partido por una “buena causa”, sino que además recibimos unas revistas muy interesantes. BEER se publica 4 veces por año y contiene artículos sobre el mundo de la cerveza : en la última edición se puede leer, por ejemplo, una entrevista con 5 cerveceros que habían dejado su antiguo trabajo para transformarse en cerveceros, una evaluación de las razones y éxitos de vender cerveza en lata, el relato de unas caminatas por Gales pasando por pubs, artículos sobre maridajes cerveceros con comida asiática y con quesos, una explicación del uso de isinglass en el proceso de clarificar la cerveza…
What´s Brewing es un periódico mensual, más bien con anuncios de festivales y actividades de los grupos regionales, artículos sobre campañas de CAMRA y noticias en relación con la cerveza, cerveceras, etc. Los grupos regionales suelen editar cada uno una revista también, que se distribuye gratuitamente en los pubs.

Y claro, también se puede entrar gratis o con descuento a la mayor parte de los festivales organizados por CAMRA o sus grupos regionales, como el GBBF en Londres en el mes de agosto. El festival de nuestro grupo regional tendrá lugar a principios de octubre y esperamos poder asistir. En función de este festival, y de un festival más pequeño en nuestro pueblo a finales de septiembre, decidiremos si nos comprometeremos a más en el futuro... igual a mi espalda no le gustría subir casks durante los festivales, pero seguro que hay otras labores donde podríamos echar una mano.

lunes, 20 de abril de 2015

Amuse-Gueuze 2015



Lambiek is hot.
As someone who grew up in Louvain (the lambiek producing region Pajottenland is situated at one end of the province of Flemish Brabant, while Louvain is located at the other end, about 30km away), I´ve always been familiar to lambiek : my grandmother liked a geuze – before the kriek was born, she used to add a sugar lump or a bit of grenadine syrup – and it felt as traditional as my grandfather drinking a trappist of Westmalle or Orval. But when I started to enjoy a beer, lambiek somehow wasn´t an option anymore, as even this short distance to the source it was difficult to get (not considering the industrialized versions of geuze and kriek which I didn´t like at all). After my studies I moved abroad, and whenever I returned to Belgium showing my region to friends, I made a point in going to Pajottenland to drink a lambiek

Since a few years, craft beer is fashionable, a lot of microbreweries have started up, even in regions and countries without any real beer tradition, and for quite a few of these new beer fans USA is the model to follow. Apart from an ever increasing desire to put more hops into beer, some traditional beer styles which were (almost) forgotten in their home countries have been recovered by the American craft brewers. The quality of these reinterpreted styles – many of them “sour ales” - is not always wonderful, but it has certainly made the beer geek look out for the “original” stuff. While lambiek brewers and blenders – the so-called lambiekstekers - have had difficult times in the past, now they sometimes have to warn for speculation with limited editions of their brews.

Even in the home country of lambiek the attention has grown, and this might explain the success of an organisation like Amuse-Gueuze. Amuse-Gueuze has already had 2 editions in Antwerp, the home town of organiser Karen Blerau. The third edition moved to the home province of the lambiek beers and took place in Louvain in March and I just couldn´t miss that, could I? 

The concept is straightforward : a gastronomical dinner including an aperitive, 4 salty stages and a final sweet stage is paired with 6 different lambiek. The restaurant welcoming this 3rd edition of Amuse-Gueuze  (3 consecutive evenings) is Het Land aan de overkant, a restaurant which already puts in place the concept of beer-food pairing, only this time all beers are lambiek and they have been chosen by Karen Blerau´s team of beer sommeliers.

On 14th March, the dinner started at 19:00 in Het Land aan de overkant. The 50 dinner guests were invited to Oude Geuze of Oud Beersel, which was accompanied by 3 amuse : a mousse of halibut with vegetables, olives with a fresh lemon stuffing and crusty skin of poultry. This lambiek, the least complex of the event according to beer sommelier Jeroen who would be our beer server of the evening, managed to pair wonderfully with the smoked aspect of one amuse, the fresh citric aspect of the second one and with the crusty earthy aspect of the third one. 


We then could take seats at our assigned tables. The starter was a salad of smoked eel and daikon with a vinaigrette of hibiscus, pomegranate and beetroot.  This same beetroot was the star of Mikkeller´s Spontanbeetroot which accompanied the dish. Although this sour ale is sweeter than the standard lambiek, it smells beetroot and matched perfectly with the dish. 

Next we enjoyed a dish of young leek in a sauce of goat milk.  It was served with an 18 month- old Oude Lambiek of Oud Beersel which had an explicit apple aroma. The texture is dense, and the nose resembles a true Calvados. The pairing here was intended to offer a contrast, but I personally think this pairing was the least convincing of the evening.

The following dish contained octopus and fennel in a bouillon of vegetables. We obviously compared the dish with the many pulpo dishes we have tasted in the Mediterranean countries we have travelled extensively through. Let´s say this preparation was OK, and mainly because of the bouillon. Jeroen told us that the PR guy of Brouwerij Timmermans was with us today and that its Oude Kriek was to accompany the dish. Although Timmermans has returned to making the real lambiek (because of the recent boom in demand?), you can tell this Oude Kriek is still an early brew, and the least appreciated lambiek of the evening. The nose is 100% artificial, the mouth first gives the cherries then the acidity, and with every sip it tasted sweeter. Unlike other Oude Kriek which present an explicit almond flavour – because of the cherry pits.

For us the next lambiek-food pairing got 10/10 : saucisse de Toulouse with hazelnut butter and herbs accompanied by Oude Geuze of 3 Fonteinen! The spicy element of the sausage, cumin, combines perfectly with just the right acidity of this Oude Geuze.  Furthermore, it is a very complex lambiek which explodes right from the start but leaves the mouth dry afterwards.

Dessert was a light crema catalana with mango. Another stoned fruit is used in Cantillon´s Fou´foune 2014 : 300 g of apricots from the South of France to the litre and only 3000 l of this lambiek are made annually. The apricots are everywhere, and the aftertaste is dry. The explicit almond flavour is present. A really nice pairing once again.

To terminate this inspiring lambiek-food pairing of the 3rd Amuse-Gueuze, we had coffee and petits fours…and we got a bag with some treats home. 

The next edition of Amuse-Gueuze should take place in Ghent in September-October 2015. If you feel like enjoying good food and good Belgian beer, you should check it out! For more information : www.amusegueuze.com

martes, 14 de abril de 2015

Top 3 albums 2014



2015 is al ruim 3 maanden oud en het is dus op zijn minst raar om op dit moment een post te schrijven over de albums die ik er tijdens 2014 bovenuit vond steken, maar dan is het maar zo...ik zou veel redenen kunnen aanhalen; laat ik het er gewoon bij houden dat ik tot begin februari uitkeek naar de ontvangst van albums die uitgekomen zijn in 2014 en dat ik pas nu de nodige afstand heb genomen om mijn top3 van 2014 te kunnen opstellen en meedelen.

3 : Trigger Hippy
Sinds 15-20 jaar volg ik wat Joan Osborne zoal uitbrengt. Ik hou van haar stem, van haar composities en van wat ze verkiest te coveren, maar de kwaliteit van haar werk is soms ondermaats : een grandioos album wordt dikwijls gevolgd door eentje die al vlug in de vergeethoek belandt. Natuurlijk weet ik dat ze in de VS een livereputatie heeft, dat ze jaren met Grateful Dead heeft samengewerkt; helaas krijgen we haar in Europa niet live te zien. Al hoop ik dat daar vlug verandering in komt, is er in 2014 toch geschiedenis geschreven. De “gelegenheidsgroep” Trigger Hippy – oorspronkelijk een trio met Black Crowes achtergrond bijgestaan op vocals door Joan Osborne – die vooral live actief waren, brachten een album uit... na een geslaagde EP ter gelegenheid van Record Store Day´s Back to Black Friday in 2013, en enkele bezettingswissels (enkel Black Crowes drummer Steve Goman en JO blijven over van de oorspronkelijke bezetting). En daar heb ik erg van genoten. De muziek is een stevige basis voor de stem van JO die hier soms klinkt als Janis Joplin. Check it out!


2 : Lucinda Williams – Down where the Spirit meets the Bone
Een dame die de laatste jaren wel regelmatig de plas oversteekt om ons te verblijden met haar werk en haar wel erg rauwe stem is Lucinda Williams. Als singer-songwriter nog steeds onderschat, als je ´t mij vraagt, maar haar werk is zo de moeite! Haar laatste – dubbele! – lp is een erg persoonlijk album : het titelnummer is een tekst van Lucinda´s vader Miller Williams die nu door haar op muziek gezet is en ook andere nummers treffen de luisteraar (en niet enkel de aandachtige die de lyrics volgt) zeker door hun hoog emotioneel gehalte. Ik was meteen verknocht en denk dat ik zeker niet de enige ben. 

1 : Wilko Johnson & Roger Daltrey – Going back Home
Vanaf de eerste keer dat ik dit album hoorde, wist ik dat die hoog zou eindigen in mijn persoonlijk jaaroverzicht. Er is veel geschreven over de terminale pancreaskanker van ex-Dr. Feelgood gitarist Wilko Johnson (en ik hoop echt dat zijn behandeling zoveel positiever lijkt uit te draaien dan eerst gedacht), maar ik vind dat er meer moet geschreven worden over dit schit-te-rend album. No-nonsense rock met een Roger Daltrey die met de tijd nog beter zingt dan ooit tevoren met The Who (ik geef het toe, dit is een erg persoonlijke mening!) en alle nummers zijn van een uitzonderlijk hoog niveau. Ondertussen heb ik ook een speciale live cd beluisterd waar RD niet altijd de vocals verzorgt – het blijven natuurlijk overwegend composities van Wilko Johnson die hij ook met zijn eigen groep vertolkt -, en dan zakt het niveau m.i. toch serieus.  Maar WJ en RD samen...wow! Ook hier ben ik niet de enige die zo denkt ...een recensent beschreef het als volgt : “Johnson´s chopping rhythm guitar and Daltrey´s geezerish groul make perfect bedfellows”.  En nu maar hopen dat er een vervolg komt op dit project.